Spellet

Basisprincipes

Spelling is veel meer dan een goede score op de Cito-toets of een mooi cijfer voor een dictee. Wanneer iemand een tekst geschreven heeft, wordt die tekst door de lezer niet alleen beoordeeld op de inhoud, maar ook op de spelling. Wanneer er in een tekst veel spelfouten staan, kan dat worden beoordeeld als een gebrek aan spellingkennis of als gemakzucht (of allebei). Van Peer (1987) beschreef met betrekking tot dit onderwerp het verschil tussen teksten met een “grote” en een “kleine” afstand. Teksten met een kleine afstand zijn bijvoorbeeld een boodschappenbriefje of een eigen krabbel in een kantlijn. Een tekst met een grote afstand is bijvoorbeeld een sollicitatiebrief. Het is bij een tekst met een grote afstand belangrijker om foutloos te spellen dan bij een brief met een kleine afstand. Het is essentieel dat leerlingen zich bewust worden van het belang van een correcte spelling. De meeste kinderen hebben ideeën over de oorzaak van hun tegenvallende spellingprestaties. Dikwijls leggen zij die oorzaak bij zichzelf. Er ontstaat daardoor vaak een negatieve en ongemotiveerde attitude ten opzichte van spelling. Het is dus belangrijk dat leerlingen weten hoe zij de baas kunnen worden over hun eigen spellingproces.

Het is goed mogelijk om dit te bereiken zonder daarbij het aanleren en oefenen van spellingregels centraal te stellen. Het oefenen van de juiste schrijfwijze van woorden met aandacht voor het beklijven van de specifieke woordkenmerken op de lange termijn (retentie) blijkt veel meer een efficiënte manier om spellingproblemen te verhelpen.

Bij Spellet wordt aangestuurd op spellingbewustzijn en op een goede spellingattitude. Spellingproblemen worden bij deze werkwijze behandeld als woordspecifieke problemen.

We sturen aan op veelzijdige verbindingen in het geheugen. We doen dit om retentie (het beklijven van de spellingkennis op lange termijn) en de transfer naar het spontaan schrijven mogelijk te maken. Als het spellingpatroon van een woord veelzijdig verankerd is, dan is het gemakkelijk oproepbaar in veel verschillende situaties (Daems, 2006). Zolang overwegend op woordniveau geoefend wordt, vindt deze veelzijdige verankering niet plaats.

We sturen op de volgende manieren aan op veelzijdige verankering:

  • woorden lezen en uitspreken;

  • woorden oefenen op woord-, zins- en spontaan tekstniveau;

  • woorden zowel handgeschreven oefenen als typen met de computer.