Spellet

Handleiding

Woord vooraf

Scholen besteden veel tijd aan spelling met methodes die vooral inzetten op het aanleren van spellingregels. Vaak zonder al te veel succes voor spellingzwakke leerlingen. Sinds 1999 werken wij met leerlingen die veel last hebben van spellingproblemen. Tijdens die begeleiding kwamen we er al snel achter dat het steeds maar blijven oefenen van de spellingregels onvoldoende resultaat oplevert. De leerlingen gebruikten de spellingregels wel in de spellingoefeningen over die bepaalde regel, maar niet in andere spellingoefeningen en helemaal niet in hun eigen schrijfproducten. We vroegen ons af hoe we deze leerlingen konden leren spellen zonder regels te gebruiken.  Samen met Anneke Smits ontwikkelden we Spellet, een spellingmethodiek voor zwakke spellers waarbij geen regels gebruikt worden.

Spellet is een effectieve werkwijze waarin we optimaal aansluiten bij de werking van het spellinggeheugen en waarin veel aandacht is voor het spontaan schrijven van teksten. De methodiek kan worden ingezet op verschillende zorgniveaus. Zowel in de klas als tijdens (individuele) begeleiding van kinderen met ernstige spellingproblemen en dyslexie.

Hans de Bakker, Elly Scheeren en Anneke Smits

Wat is Spellet?

Inleiding

Spelling is veel meer dan een goede score op de Cito-toets of een mooi cijfer voor een dictee. Wanneer iemand een tekst geschreven heeft, wordt die tekst door de lezer niet alleen beoordeeld op de inhoud, maar ook op de spelling. Wanneer er in een tekst veel spelfouten staan, kan dat worden beoordeeld als een gebrek aan spellingkennis of als gemakzucht (of allebei). Van Peer (1987) beschreef met betrekking tot dit onderwerp het verschil tussen teksten met een “grote” en een “kleine” afstand. Teksten met een kleine afstand zijn bijvoorbeeld een boodschappenbriefje of een eigen krabbel in een kantlijn. Een tekst met een grote afstand is bijvoorbeeld een sollicitatiebrief. Het is bij een tekst met een grote afstand belangrijker om foutloos te spellen dan bij een brief met een kleine afstand. Het is essentieel dat leerlingen zich bewust worden van het belang van een correcte spelling. De meeste kinderen hebben ideeën over de oorzaak van hun tegenvallende spellingprestaties. Dikwijls leggen zij die oorzaak bij zichzelf. Er ontstaat daardoor vaak een negatieve en ongemotiveerde attitude ten opzichte van spelling. Het is dus belangrijk dat leerlingen weten hoe zij de baas kunnen worden over hun eigen spellingproces.

Het is goed mogelijk om dit te bereiken zonder daarbij het aanleren en oefenen van spellingregels centraal te stellen. Het oefenen van de juiste schrijfwijze van woorden met aandacht voor het beklijven van de specifieke woordkenmerken op de lange termijn (retentie) blijkt veel meer een efficiënte manier om spellingproblemen te verhelpen.

Bij Spellet wordt aangestuurd op spellingbewustzijn en op een goede spellingattitude. Spellingproblemen worden bij deze werkwijze behandeld als woordspecifieke problemen.

We sturen aan op veelzijdige verbindingen in het geheugen. We doen dit om retentie (het beklijven van de spellingkennis op lange termijn) en de transfer naar het spontaan schrijven mogelijk te maken. Als het spellingpatroon van een woord veelzijdig verankerd is, dan is het gemakkelijk oproepbaar in veel verschillende situaties (Daems, 2006). Zolang overwegend op woordniveau geoefend wordt, vindt deze veelzijdige verankering niet plaats.

We sturen op de volgende manieren aan op veelzijdige verankering:

  • woorden lezen en uitspreken;

  • woorden oefenen op woord-, zins- en spontaan tekstniveau;

  • woorden zowel handgeschreven oefenen als typen met de computer.

Waarom werkt Spellet?

Het pedagogisch handelen van de begeleider

De meeste kinderen hebben ideeën over de oorzaak van hun tegenvallende prestaties op school. Dikwijls leggen zij die oorzaak bij zichzelf: ‘Ik ben te dom’, of: ‘Ik werk niet hard genoeg’, of: ‘Ik let niet goed op’, enzovoort. Het is daarom belangrijk dat kinderen inzicht krijgen in hun leerprobleem, in de gevolgen daarvan en in de mogelijkheden om er mee om te gaan.

Wij zijn van mening dat kinderen met meer motivatie en persoonlijke verantwoordelijkheid aan hun taken zullen werken als zij bij de behandeling betrokken worden en zoveel mogelijk baas zijn over hun eigen leerproces.

De pedagogische relatie

De kwaliteit van de begeleiding staat of valt met de kwaliteit van een pedagogische relatie, die gebaseerd is op pedagogisch optimisme (Hövels, Visser & Schuit 2006). Begeleiders die handelen vanuit pedagogisch optimisme zien vooral de potenties van hun leerlingen en zoeken samen met de leerlingen naar oplossingen voor de zwakke kanten.

De kwaliteit van de pedagogische relatie wordt in sterke mate bepaald door de pedagogische tact van de begeleider. Pedagogische tact wordt gedefinieerd als: “Op het goede moment de goede dingen doen en zeggen, óók in de ogen van de kinderen.” Pedagogische tact of tactvol handelen vraagt een relatie die gekenmerkt wordt door openheid en sensitiviteit voor wat een leerling bezighoudt, voor wat deze nodig heeft en door hoge en realistische verwachtingen. Dit houdt onder andere in dat de begeleider en de leerling regelmatig met elkaar bespreken wat ze van elkaar verwachten en daarbij van elkaar leren.

Interactie

De begeleider leert van de kinderen en zij leren van de begeleider, in wederzijdse beschikbaarheid.

Het is pedagogisch en didactisch zinvol om in de praktijk een onderscheid te maken tussen verticale en horizontale interactie.

Verticale interactie is de interactie tussen de begeleider en de leerling. Dat kan op drie manieren, namelijk tussen de begeleider en één individuele leerling, de begeleider en een kleine groep of de begeleider en de hele klas.

Voorbeelden hiervan bij het werken met Spellet:

  • Een-op-een: start begeleiding gericht op psycho-educatie (zie 3.1).

  • Ondersteuning bij de toepassing van de spelling. Bijvoorbeeld het bedenken van een onderwerp waarover geschreven gaat worden en hulp bij het opzetten van de structuur van het verhaal of het werkstuk, etc.

  • Gesprekje aan het eind van elke sessie: Wat ging er goed? Waar moeten we aan werken? En: hoe gaan we dat aanpassen?

Het verdient aanbeveling om het resultaat van deze gesprekjes te delen met ouder(s) en leerkracht(en), bijvoorbeeld door (korte) verslagjes in een heen-en-weer-map of digitale cliëntomgeving.

Horizontale interactie houdt in dat de kinderen in tweetallen, in een groepje of in de hele klas overleggen en samenwerken.

Voorbeelden hiervan bij het werken met Spellet:

  • Samen een verhaal schrijven.

  • Samen de moeilijke woorden opzoeken en bespreken wat er moeilijk aan is.

  • Samen controleren of alle woorden goed geschreven zijn.

De competente leerling

Naast de pedagogische relatie en de kwaliteit van de interactie, spelen ook taakfactoren een grote rol.  Een te moeilijke taak zorgt voor een faalervaring en deze tast het zelfvertrouwen en het gevoel van competentie aan. Succeservaringen versterken het zelfvertrouwen en verhogen de motivatie. Door het werken in de zone van de naaste ontwikkeling neemt de kans op succeservaring toe.

Lev Vygotskij ging er (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Piaget) vanuit dat onderwijs en begeleiding invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. Om dat duidelijk te maken introduceerde hij de begrippen zone van de actuele ontwikkeling en zone van de naaste ontwikkeling. Met de zone van de actuele ontwikkeling bedoelde Vygotskij het gebied waarin een kind zelfstandig, zonder hulp van anderen, een prestatie kan leveren. De zone van de naaste ontwikkeling is het gebied waar het kind nog niet zelfstandig, maar wel met behulp van de volwassene een prestatie kan leveren. Het onderwijs dient zich op deze zone te richten en zo roept onderwijs de cognitieve ontwikkelingen op, die anders op dat moment niet zelfstandig zouden ontstaan.

Een afgeleid begrip is Scaffolding (letterlijk: het voorzien van steigers). Dit betekent dat leerlingen precies zoveel hulp aangeboden krijgen, zodat ze een taak zelfstandig en met succes kunnen uitvoeren.

Voorbeelden hiervan bij het werken met Spellet:

  • Bij het schrijven van zinnen worden de woorden die de leerling gaat gebruiken op een blad geschreven zodat de leerling kan ‘spieken’ tijdens het gebruik van het woord. De zin wordt eerst hardop aan een van de begeleiders verteld.

De autonome leerling

Eigen inbreng en eigen keuzes (autonome inbreng) van de leerling maken een leerling medeverantwoordelijk voor de begeleiding. Het leidt er bovendien toe dat de leerling gemakkelijker de resultaten van de begeleiding aan zichzelf kan toeschrijven en daardoor weer meer controle krijgt over het eigen handelen. Het is van belang om samen met de leerling realistische, concrete korte termijn doelen voor de begeleiding te formuleren en deze regelmatig te bespreken en bij te stellen. Het is van groot belang dat de betreffende doelen voor de leerling betekenisvol zijn. Ook de wijze waarop deze doelen bereikt worden is een punt van voortdurend overleg met de leerling. 

Als de leerling de relatie tussen de geformuleerde doelen en de werkwijze goed onderkent, zal dat de effectiviteit van de begeleiding ten goede komen.

Voorbeelden hiervan bij het werken met Spellet:

  • De leerling wordt betrokken bij de begeleiding, zowel op micro- als op macroniveau. Wekelijks wordt de begeleiding geëvalueerd en in een dagrapportage gedeeld met ouder(s) en leerkracht(en). Daarnaast wordt halfjaarlijks de vooruitgang gemeten. Daaruit volgen een-op-een gesprekken met de leerlingen, een evaluatieverslag en een evaluatiegesprek met de ouders en kind. In de gesprekken wordt de afgelopen periode geëvalueerd en worden eventuele nieuwe doelen geformuleerd.

Effectieve feedback

Bij effectieve feedback wordt volgens Hattie en Timperley (2007) antwoord gegeven op de volgende vragen:

  1. Feed-up: waar ga ik naartoe? Wat is mijn doel? Welke resultaten wil ik bereiken?
    Het is belangrijk dat de leerling zicht heeft op het te behalen doel. Het bespreken van het verloop van de sessie en het gesprek tijdens de andere evaluatiemomenten zijn hiervan voorbeelden.

  2. Feed-back: hoe heb ik het tot nu toe gedaan?
    De term feedback verwijst naar een terugkoppeling. Het geeft de leerling inzicht in het huidige niveau van zijn prestatie.

  3. Feed-forward: wat is de volgende stap? Wat ga ik verder doen om het gestelde doel te bereiken?
    Samen met de begeleider bedenkt de leerling oplossingsmogelijkheden en suggesties tot verbetering.

Niveaus van feedback:

  • Taakgerichte feedback
    Bij (realistische) taakgerichte feedback bespreken de begeleider en de leerling hoe de leerling zijn taak heeft uitgevoerd. Zij bespreken wat er goed gegaan is en welke werkpunten er zijn. Op deze manier helpt taakgerichte feedback de leerling om zijn gestelde doel te bereiken.

  • Procesgerichte feedback
    Hierbij gaat het om informatie over het onderliggende proces dat aan het uitvoeren van de taak ten grondslag ligt.

  • Zelfregulerende feedback
    Bij deze vorm van feedback gaat het over hoe leerlingen hun taak sturen en evalueren en welke activiteiten zij ondernemen om hun doel te bereiken.

  • Persoonsgerichte feedback
    Hierbij gaat het meestal om het geven van een compliment of om een afkeurende reactie. Persoonsgerichte feedback geeft geen antwoord op de hierboven genoemde drie vragen en leidt daarom vrijwel nooit tot betere leerresultaten.

Didactische uitgangspunten

  • De begeleider heeft hoge en realistische verwachtingen van de prestaties van de leerlingen en zorgt op basis daarvan voor een uitdagende leeromgeving.

  • Tijdens de begeleiding is er altijd sprake van een hoge ‘time on task’. Dat betekent dat de focus ligt op het werken aan spelling en dat er een evenwichtige verdeling is tussen:

    • dialoog over de inhoud, de opbouw en de werkwijze van de sessie;

    • begeleid oefenen;

    • zelfstandig oefenen. 

  • Er is expliciete aandacht voor het verbeteren van het spellingbewustzijn (spellingbewustzijn is het vermogen om te reflecteren op de eigen spelling, spellingvaardigheid en spellingprocessen). 

  • Werken in een kleine groep met verschillende spellingniveaus verdient de voorkeur boven individueel werken. 

    • Door middel van interactie en discussie leren kinderen van elkaar.

    • Kinderen stimuleren en waarderen elkaar als ze elkaar feedback geven over hun schrijfproducten. (Het is daarbij essentieel om samen te vieren dat het beter gaat).

    • De positieve onderlinge aandacht voor de communicatieve kant van geschreven taal zorgt voor verbetering (in een groep worden kinderen zich ervan bewust dat ze tekst schrijven die door anderen wordt gelezen).

    • Spellingbewustzijn neem toe als de woordspecifieke kenmerken met elkaar worden besproken en als kinderen samen discussiëren over de juiste schrijfwijze van woorden in een tekst die ze samen schrijven.

  • Er wordt altijd gewerkt met remediërende software. Voor voorbeelden van geschikte software zie: 🔗 software

  • Er is altijd aandacht voor de woordspecifieke kenmerken van woorden die lastig zijn voor de leerlingen (bijvoorbeeld door samen te bekijken en te bespreken wat er moeilijk is aan een woord). 

  • Er wordt gebruik gemaakt van herhalingsweken waarin eerder aangeleerde woorden herhaald worden om tot retentie te komen. 

Hoe werkt Spellet?

Spellingbewustzijn

Spellingbewustzijn betreft primair de wil en de inzet om goed te spellen. Voor spellingzwakke leerlingen is dit spellingbewustzijn vaak niet gemakkelijk te bereiken, omdat het een confrontatie betekent met wat zij moeilijk vinden. Om dit proces te ondersteunen hebben wij in onze aanpak drie elementen opgenomen:

  • We bespreken groepsgewijs en kort de woordspecifieke kenmerken van de te oefenen woorden;

    De leerlingen oefenen de woorden met een softwareprogramma en krijgen daardoor directe feedback van de computer op de juiste schrijfwijze; 

  • De leerlingen schrijven verhalen, waar een aantal van de te oefenen woorden in voorkomt. De verhalen worden gepubliceerd in een boekje. Voorafgaand aan de publicatie bespreken en beoordelen de leerlingen elkaars teksten. Zij gaan daardoor bewust met de teksten om. Ook de publicatie op zich versterkt de bewustwording. 

Plezier in schrijven

Een leerling die een zinvolle en interessante tekst schrijft die anderen gaan lezen, heeft een communicatieve bedoeling. Teksten die (al is het in beperkte kring) ‘gepubliceerd’ worden, leiden tot meer schrijfplezier.

Woordspecifieke spellingproblemen

De werkwijze van Spellet heeft het schrijven van specifieke woorden tot doel en niet het leren en inoefenen van spellingregels. (We maken hierbij wel een uitzondering voor de werkwoordspelling, want werkwoordspelling is moeilijk te leren zonder een beperkt aantal regels.)

Kleine woordpakketten

Er is voor gekozen om niet op een lager spellingniveau te oefenen, maar met een kleine mix van woorden op het groepsniveau. We maken daarom kleinere woordpakketten van maximaal 15 tot 20 woorden. We zorgen ervoor dat er verschillende, maar niet verwarbare, categorieën aanwezig zijn.

Het werken met woordpakketten die eenzijdig bestaan uit een bepaalde categorie kan leiden tot verminderde aandacht en het opnemen van verwarbare categorieën (zoals bijvoorbeeld -ei- en -ij-) leidt tot onnodige fouten en verwarring. 

Gespreide oefening

Om de gespreide oefening te realiseren oefenen de leerlingen op verschillende dagen van de week met de spellingsoftware en bouwen we herhalingsweken in. Dit doen we omdat herhaling die verspreid is over de tijd, ervoor zorgt dat het geleerde beter beklijft op de lange termijn. 

Visueel dictee en directe feedback

Visueel dictee betekent dat leerlingen het correct geschreven woord zien voordat zij het zelf gaan schrijven. We gebruiken het softwareprogramma WOEF Online. WOEF Online laat de te oefenen woorden zien, spreekt ze uit en voorkomt het maken van fouten doordat verkeerd getypte letters niet worden getoond, terwijl de leerling ook gewaarschuwd wordt met een geluidssignaal. Dit is een vorm van directe feedback die het inprenten van de eigen fouten voorkomt. 

Veelzijdige geheugenverbindingen

We sturen op de volgende manieren aan op veelzijdige verankering: woorden lezen en uitspreken, woorden oefenen op woord-, zins- en spontaan tekstniveau en woorden zowel handgeschreven oefenen als typen met de computer. We doen dit om de retentie en de transfer naar het spontaan schrijven mogelijk te maken. 

Aan de slag

Aan de slag

In de pilotstudie[1] is gebleken dat kinderen in een kleine begeleidingsgroep veel profijt hebben van onderlinge interactie en waardering. Dit uit zich in plezier in taal en gebruik van taalrijke zinnen. In de ideale setting wordt er daarom gewerkt met twee begeleiders die ieder maximaal drie leerlingen begeleiden. De leerlingen krijgen dan voldoende individuele aandacht en hebben daarnaast de mogelijkheid om met elkaar van gedachten te wisselen en bij een aantal opdrachten samen te werken. Dit bevordert de motivatie en het spellingbewustzijn.

Tijdens het eerste begeleidingsmoment van een nieuwe leerling wordt er kennisgemaakt met de begeleiders en de andere kinderen in de groep. Een van de begeleiders neemt de tijd om individueel met de nieuwe leerling een eerste gesprek te voeren over het menselijk brein en de manier waarop wij leren spellen (en lezen). Bij kinderen in groep 5 en 6 van de basisschool kan hierbij gebruik gemaakt worden van ‘Je fantastische elastische brein’ (Deak, 2017), voor oudere leerlingen ‘Ken je brein’ (Deak, 2018). Bij leerlingen met dyslexie wordt deze informatie gekoppeld aan het fonologisch coherentiemodel (Van Orden e.a., 1990).

Nadat er een neurologisch kader is geschetst wordt er een vertaling gemaakt naar de inzet van educatieve software. De kracht van WOEF Online, tekst-naar-spraak-software en het woordpredictieprogramma wordt besproken aan de hand van de eerder opgedane kennis over de werking van het menselijk brein bij spellingzwakke leerlingen.

De tweede begeleider neemt op dit moment de begeleiding van de andere leerlingen op zich.

In latere bijeenkomsten vindt er regelmatig terugkoppeling plaats naar de psycho-educatie uit de eerste bijeenkomst. In groepsverband kan er worden gesproken over de werking van de hersenen, de manier waarop mensen leren of de rol van dyslexiesoftware. Vaak geven leerlingen input voor zo’n gesprek, “Ik moest voor het eerst Engelse woordjes leren en dacht dat ik ze goed kende, maar ik heb toch een onvoldoende gehaald”, maar het initiatief kan zeker ook vanuit de begeleiders komen.

Het is in het algemeen belangrijk dat de begeleider inspeelt op de actuele situatie en/of de vragen en verzoeken van leerlingen. De periode voor Sinterklaas is bijvoorbeeld een goed moment om te bespreken hoe lastig het (voor kinderen met dyslexie) is om te rijmen. Samen kan worden besproken hoe dyslexiesoftware ondersteuning biedt tijdens het schrijven van een gedicht. Het onderdeel spontaan schrift geeft daarnaast ruimte om het gedicht tijdens Spellet te schrijven.

[1] Smits, A. & Scheeren, A (2017). Leren spellen met Spellet. Op: PlatformPraktijkontwikkeling.nl. Utrecht: WOSO

Het selecteren van woorden

Leerlingen krijgen een dictee van maximaal 20 woorden. Ze schrijven de woorden op een formulier waarbij ze, na het schrijven van het woord, aangeven of ze (1) Onzeker, (2) Bijna zeker of (3) Helemaal zeker zijn over de spelling. Fout geschreven woorden en woorden waarvan de leerling aangeeft nog niet helemaal zeker te zijn over de schrijfwijze worden aan een woordenlijst in WOEF Online toegevoegd.

Woorden Oefenen

De losse woorden van het woordpakket staan in WOEF Online en de leerling oefent daarmee. De woorden moeten worden uitgesproken door de leerlingen en door de computer voordat zij de woorden typen.

Woorden bespreken

In een gemengde groep kunnen de duo’s kinderen zijn van wisselende niveaus en zelfs wisselende jaargroepen. Aanbevolen wordt om kinderen zelf de duo’s te laten samenstellen. De duo’s lezen samen in koor de woorden die zij gaan oefenen (dus uit het woordpakket van allebei). Waar nodig wordt besproken wat de kinderen qua spelling moeten onthouden in het woord. De aandacht voor de woordspecifieke spellingmoeilijkheid wordt op deze wijze vergroot.

Zinnen schrijven

De behandelaar geeft voorbeelden van zinnen waarin moeilijke woorden uit de pakketten gebruikt worden in betekenisvolle context. Uit deze zinnen kunnen de leerlingen zelf de betekenis afleiden. Eventueel schrijft de behandelaar enkele voorbeeldzinnen op het bord.

Op een werkblad schrijven de leerlingen vervolgens 5 zinnen met de fout geschreven woorden uit het woordpakket. De leerling bedenkt deze zinnen zelf.

Er wordt aangestuurd op leuke, originele en spannende zinnen. De begeleider loopt rond en geeft feedback op inspanning, product en inhoud.

Spontaan schrijven

Er wordt een eigen stukje tekst geschreven met behulp van ondersteunende software. Hierin worden minstens drie van de geoefende woorden verwerkt. De begeleider geeft directe feedback. De leerlingen worden op verschillende manieren gestimuleerd om een mooi verhaal te bedenken:

  • Er wordt gebruik gemaakt van schrijfstarters.

  • De leerlingen schrijven elke sessie een stukje in een boek over zichzelf of hun passie/hobby.

  • De leerlingen schrijven met elkaar een mooi verhaal: ieder zegt om de beurt een zin en iedereen typt/schrijft het hele verhaaltje.

  • De leerlingen typen/schrijven een verhaal in tweetallen.

  • Er wordt een gezamenlijke blog gemaakt.

In alle gevallen geldt: Kinderen geven elkaar feedback op de spelling van hun producten, voorafgaand aan de publicatie. Als het verhaal wordt ingeleverd moet het foutloos zijn. Het is dus belangrijk dat de leerlingen met elkaar overleggen hoe de woorden geschreven moeten worden. Als zij twijfelen over de juiste schrijfwijze van een woord, mogen zij natuurlijk de hulp inroepen van de begeleider.

Onderbouwing

Totstandkoming

Deze handleiding is tot stand gekomen met de hulp van Marina Meijers, Martine Meilink, Paola de Leeuw en (oud) collega’s van orthopedagogische praktijk Quadraat.

Referentie

  • Braams T. & Smits, A. Dyslectische kinderen leren lezen. (2e gewijzigde druk). Blz. 83 Amsterdam, Nederland: Boom Uitgevers

  • Kamphuis E. & Vernooy K. (2011). Feedback geven. Basisschool management, 07, 4-9.

  • Van Orden, G. C., Pennington, B. F., & Stone, G. O. (1990). Word identification in reading and the promise of subsymbolic psycholinguistics. Psychological Review, 97, 488-522.

  • Smits, A. & Scheeren, A (2017). Leren spellen met Spellet. Op: PlatformPraktijkontwikkeling.nl. Utrecht: WOSO

  • Van der Veer, R. (1985). Cultuur en cognitie. De theorie van Vygotskij. Leiden, Nederland: Wolters-Noordhoff.

  • Verbeeck I. & De Boer, E. (2013). Pedagogische tact is pedagogische kracht. HJK, 19-21.

  • Verhofstadt-Denève, L., Van Geert, P. & Vyt, A., (2003) Handboek ontwikkelingspsychologie: Grondslagen en theorieën. Nederland: Bohn Stafleu van Loghum.

Verwijzingen

  • Deak, J., (2017) Je fantastische elastische brein. Nederland: Bazalt Educatieve Uitgaven.

  • Deak, J., (2018) Ken je brein. Nederland: Bazalt Educatieve Uitgaven.

Weblinks